Het Zinkend Schip trotseert al 5 jaar zeeën zonder spiegels en is niet zinnens dat te vieren. Immers, zolang het voortbestaan in het gedrang is, blijft de ondergang verzekerd. Hoera!
[hetzinkendschip@hotmail.com]
Het Zinkend Schip trotseert al 5 jaar zeeën zonder spiegels en is niet zinnens dat te vieren. Immers, zolang het voortbestaan in het gedrang is, blijft de ondergang verzekerd. Hoera!
[hetzinkendschip@hotmail.com]
Barbarendom, - nooit heb ik grote woorden geschuwd, zelf stel ik amper iets voor.
Ik lees vandaag dat in Oostenrijk varkens levend onder sneeuw begraven werden teneinde te stikken en/of dood te vriezen om na te gaan hoe mensen zouden reageren moesten ze bedolven raken onder een lawine. Ik lees ook dat in Engeland een roedel varkens levend werd opgeblazen om na te gaan op welke wijze mensen slachtoffer zouden zijn bij een bom- aanslag als die gepleegd wordt door terroristen. Kortom, ik lees over moordpartijen, terechtstellingen, dierenmishandelingen, oorlogen, aanslagen, corruptie, ..., en ik lees en ik lees en ik lees.
En? (Ik eet geen vlees, en ik drink geen Stella, maar ook geen Coca Cola, en ik rijd niet met een Opel, ik heb niet eens een rijbewijs, enzovoorts.)
Kan het simpeler? Men is het niet eens met het beleid van de AB InBev-brouwers, dan houdt men toch gewoon op hun bieren te brouwen en te drinken, ik, gij, hij, iedereen, - ander en beter. Maar neen, liever nog gaan de loonslaafjes de wacht houden aan een versleten poort, aan vuurke stook doen en worstjes bakken, ondertussen de verongelijkte arbeider uithangen terwijl men zich elders voordoet als de nouveau riche die men nooit zal worden. Doodlopende wegen bewandelen en zeggen dat men kwaad is, ja, maar thuis met klapperende tanden de komst van Pietje de deurwaarder vrezen, en vooral: niet aan zelfbeheer denken, oh, neen. Nu zich eindelijk eens de gelegenheid voordoet om de maatschappij een dienst te bewijzen en er zelf beter van te worden, rekenen ze liever op de vakbond die al lang de kant van het patronaat heeft gekozen, - wat zal er weer wat afgekletst en getapt worden in het Achturenhuis zoniet in De Gelukkige Werker. Kijk, J R, neen, J L, Dehaene bedoel ik, is bij AB InBev een van de dikste paproerders, denkt ge dat die ook maar één fluit om de werkman geeft, ook maar één? Wat dus misschien op het eerste zicht een belachelijk idee lijkt, is de enige oplossing om stapsgewijs alle vormen van crisis te bezweren, ook die welke zeer voorlopig nog niet aan de orde zijn. Klop, klop. Wie is daar? Pang, pang. (Haha!)
Mardi 5 janvier à 9 h du matin près de 150 salarié(e)s de Philips EGP de Dreux prennent le contrôle de leur entreprise ! Lisez ici.
Wir unterschätzen das, was wir haben, und überschätzen das, was wir sind.
Nichts bist du, nichts ohne die andern. Der verbissenste Misanthrop braucht die Menschen doch, wenn auch nur, um sie zu verachten.
Die glücklichen Sklaven sind die erbittertsten Feinde der Freiheit.
Wenn ich ein Brechmittel brauche, hole ich es lieber aus der Apotheke als aus der Buchhandlung.
Es ist schwer, den, der uns bewundert, für einen Dummkpopf zu halten.
Das Recht des Stärkeren ist das stärkste Unrecht.
Der ghröβte Feind des Rechtes ist das Vorrecht.
Aus : Marie von Ebner-Eschenbach (1830-1916), Aphorismen.
"Wie in onzen tijd nog pogingen aanwendt om het koningschap te doen doorgaan voor een beteekenisvolle instelling is een achterlijk wezen die de teekenen des tijds niet begrijpt, of iemand - en dat zal wel de drijfveer zijn – die de massa denkt te biologeeren, ze blind wil maken voor de ontzettende ontbeeringen tengevolge der uitbuiting waaraan die massa bloot staat van de zijde van hen die ’t koningschap en andere instellingen gebruiken om deze uitbuiting nog vastere vorm te geven.
Weg met het Koningschap!
Leve de Sociale Republiek!"
B. Lansink Sr in 1923.
Het minste dat van Frank Roger (°Gent, 1957) kan gezegd worden is dat hij in de Nederlandstalige polders en de achterliggende vluchtheuveltjes zowel als auteur dan als beeldend kunstenaar een illustere onbekende is, - de harde kern van zijn fanclub zal wel uit niet veel meer dan een tiental leden bestaan, en de enige daarvan die ik persoonlijk ken, ach. En toch: in de loop der voorbije jaren is werk van Frank Roger in meer dan 30 talen gepubliceerd, soms in een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren als bijlage van een krant en een andere keer dan weer als zeer verzorgde kleinschalige editie in een of andere uitstervende streektaal, zijn collages worden tot ver en zelfs uitsluitend over de staatsgrenzen geapprecieerd, op buitenlandse congressen is hij niet alleen een graag geziene gast, maar vaak eregast, en ga zo maar door. En vergeet vooral niet te vermelden dat aan hem nog geen cent subsidie verloren is gegaan. (Die vergooit de voorzitter van het VLF uiteraard persoonlijk aan wie dat echt verdient, - om van te balen.) Als beeldend kunstenaar die zich beperkt tot het maken van collages en grafisch werk, kwam hij tot heden nog maar weinig naar buiten, maar hij biedt dit werk wel aan in de enkele bibliofiele edities die tot nog toe het licht zagen. En wat te zeggen van de man zelf als dat al van enig belang mocht zijn? Hij verplaatst zich eerder met het openbaar vervoer dan per auto, na een bezoek van hem merk je amper dat hij langs is geweest, ik hoorde hem nog nooit roepen, hij is het levende bewijs dat er parallelle werelden bestaan, enzovoorts. Kortom, in meer dan één opzicht leeft Frank Roger voor zijn kunst, wetende dat en niet beseffende dat, - daar houd ik van.
Over zijn literair werk dat voornamelijk uit korte en zeer korte verhalen bestaat, ga ik hier niet al te ver uitweiden, dat doe ik later wel eens. Ik las trouwens ook lang niet alles wat hij schreef, maar publiceerde zelf in de voorbije tien jaar wel een en ander van hem. Ik zou dus een recht van spreken kunnen opeisen, maar ik laat anderen de eer. Men moet ten andere al zeer belezen uit de hoek komen om het werk van Frank Roger in een ruimer perspectief te kunnen duiden, en wie me kent (die beklaagt zich dat meestal) ... Anderzijds laat de auteur ook niet gemakkelijk in zijn (persoonlijke) kaarten kijken. Wie de scalpel van de literaire chirurgijn hanteert, kent de gevaren waar het welslagen der operatie aan te wijten is.
Met zijn collages zoekt Frank Roger dan weer onder dak te komen als surrealist, maar is dat wel zo? Kleurig werk en vaak bevreemdend, ontregelend en met steeds meer dan één achterliggende gedachte en telkens een interpretatiemogelijkheid extra achter de hand, dat wel, maar surrealistisch? Is niet iedere collage dat, en zou niet elk kunstwerk het horen te zijn? Of is het gewoon het intellectuele kantje dat in die gedoodverfde richting doet kijken? In België wordt nogal snel wat buiten het gewone valt surrealistisch genoemd, en sommigen beschouwen het land zelf ook als een surrealistische grap, maar vergeten dat een misdaad nooit om te lachen is. Zelf was ik vrij nauw in contact met de op René Magritte na twee belangrijkste knutselaars uit de Gouden Eeuw van het Belgische surrealisme: Marcel Mariën en Marc. Eemans. Een bezoek aan de een liet ik volgen door een bezoek aan de ander, ze woonden beiden in Brussel, en ik liet niet na daar expliciet melding van te maken, ik maakte daar zelfs een erezaak van. Bij Eemans ving ik op die manier enkele originele tekeningen en bij Mariën bot, - maar daar was het mij niet om te doen. (De tekeningen sieren nu overigens de smaakvol ingerichte huiskamer van een nog steeds niet voor diefstal veroordeelde deurwaarder, en met mijn boeken van Mariën is een Gentse marktkramer verdwenen met de vrijdagse zon.) In Nederland ligt dat makkelijker, daar bestaat het surrealisme niet en heeft het wegens het plaatselijk gebrek aan zin voor humor ook nooit bestaan, tenzij men de voorkeur voor het Italiaanse fascisme van de magische realist Pyke Koch als zodanig verkeerdelijk zou inschatten. Surrealisme, dat is tegelijk troebel water en hoge zee, diepe gronden en hoge luchten, gezond verstand en zieke geesten, vriend en vijand. Zo: destijds in het achterkeukentje van Mariën, de muren vol onverkocht werk, in een fauteuil het hondje dat uiteraard Fox heet en aandachtig naar tv kijkt met achter hem de foto van zichzelf terwijl hij in dezelfde fauteuil naar dezelfde tv kijkt en Mariën die daar een foto van neemt! (Speelde zich af in 1984, toen ik er samen met Herwig Leus werken voor een tentoonstelling kwam uitzoeken.) Dus gemakshalve: is Frank Roger een surrealist? Ja. Ga dat zien!
Écoutez, c'est à dire, vous comprenez, peut-être, allez-y: SATPREM !
Van Hrdlicka herinner ik me vooral dat hij op een wankele ladder kroop en met een dikke kwast een metersgroot doek begon te beschilderen, en kleuren gebruikte waarvan ik het bestaan tot dan toe amper vermoedde. Heel zijn leven heeft hij gestreden tegen wat nu weer als hoogste goed wordt beschouwd. In achtgenomen veel omstandigheden vier ik vandaag de touwen van Het Zinkend Schip, en verdwijn ik aan de einder. Ik dank eenieder die hier ooit aanmonsterde, al was het maar voor even, of per vergissing. (Dooft de laatste het licht? Dank u.)
I learned this, at least, by my experiment; that if one advances confidently in the direction of his dreams, and endeavors to live the life which he has imagined, he will meet with a success unexpected in common hours. He will put some things behind, will pass an invisible boundary; new, universal, and more liberal laws will begin to establish themselves around and within him; or the old laws be expanded, and interpreted in his favor in a more liberal sense, and he will live with the license of a higher order of beings. In proportion as he simplifies his life, the laws of the universe will appear less complex, and solitude will not be solitude, nor poverty poverty, nor weakness weakness. If you have built castles in the air, your work need not be lost; that is where they should be. Now put the foundations under them.
Henry David Thoreau, Walden (1854)
In die dagen bloeide De Roode Bibliotheek uit Amsterdam, en er verschenen boeken waarvan zij die kunnen lezen, maar niet kunnen schrijven thans nog het bestaan willen ontkennen, daarom niet met woorden, maar alleszins in hun daden. Ja, de Bende van Laken en de Lakeien van België, …
Een willekeurige (?) passage uit De Universeele Smart (2 delen, vertaald door Gerhard Rijnders, tevens touwtjestrekker in De Roode Bibliotheek) van Sébastien Faure, de man die ook instond voor de vierdelige Encyclopédie Anarchiste (voltooid in 1934).
Evenals de ekonomische onrechtvaardigheid teruggebracht kan worden tot één grondoorzaak: persoonlijk eigendom, zoo kan de politieke onrechtvaardigheid teruggebracht worden tot die ééne grondoorzaak: regeering.
(…)
Groot is de fout van de massa die zich laf laat uitplunderen door een handvol rijken; niet minder groot is de dwaling van de massa die zich laat ringelooren door een bende despoten
(…)
Ten slotte, hen die (…) wetgeving willen rechtvaardigen, plaats ik voor het dilemma:
Of uw wetten zijn goed en rechtvaardig en dus er valt niets aan te veranderen en uw parlementen zijn nutteloos; of wel, uw wetten zijn noch rechtvaardig, noch goed; in dat geval, wilt ge me dan eens zeggen in naam van wie of wat gij de pretentie hebt mij die wetten op te dringen en er respekt voor te verlangen?
Is ’t duidelijk?
Dat er overbodige aandacht en teveel belastingsgeld wordt geschonken aan mensen als Lanoy, Hertmans, Nolens en noem maar op, dat zal wel, maar wat is het alternatief: dat geld verbranden? Het kan toch immers niet de bedoeling zijn dat binnenkort iedereen zich als extreem-linkse anarchist aangesproken voelt door de nieuwslezers van VTM, - zoals vanmiddag nog. (Nabij Gent werden uit protest tegen de bouw van weer een gevangenis voor mensen zonder de juiste papieren de lokalen van aannemer Besix vakkundig afgetroefd door een aantal gemaskerde personen die sedertdien spoorloos zijn, en volgens de ongeletterde van dienst kan het dus niet anders of dat zijn …) Wat de makke schapen wordt gevoerd, zal de opstandige bok niet vreten.
"It is difficult to get a man to understand something when his salary depends upon his not understanding it."
Upton Beall Sinclair (1878-1969), heet de man die met een breedvoerig, maar diep socialistisch élan bijna honderd boeken bij mekaar schreef, waaronder The Jungle en die ons de korte samenvatting in nog geen tienduizend bladzijden van grosso modo de eerste helft van de twintigste eeuw bracht aan de hand van de belevenissen van Lanny Budd, en ook zijn min of meer verfilmde Oil! (uit 1927) mag niet vergeten worden. Minstens even belangrijk is hij, vind ik, als de oprichter en de bezieler van de Helcion Home Colony. Dichter bij hier was er rond die tijd o.a. Walden van Frederik van Eeden, en ademt wat zich in Latem afspeelde met de van de Woestijne’s, de Smet en co niet dezelfde sfeer? Ja, de late negentiende eeuwse en de vroeg twintigste, dat waren nog eens tijden. Einde jaren zestig en in de zeventiger der vorige bloeiden er wereldwijd een laatste keer tegelijk flink wat communes op, maar sindsdien: Second Life, Fakebook, Twitter, enzovoorts. (Jaja, zeer interessant, gaat u door, maar kom vooral niet meer terug.) Voor wie er vaart in de beweging mag zitten: HIER!
Wij, mensen?
Wij leven en wij sterven, wij lijden omdat wij leven; de vreugde straalt slechts voor ons open, als wij ze met smart kunnen betalen. Alleen de sterken onder ons planten de daad. In de ruimte stijgt onze kreet naar geluk, klimt, als een driftige leeuwerik, ons verlangen naar een betere menselijkheid. En eindelijk ruist onze roep uit in het gonzend heelal. Maar onze broers en zusters, o, vooral onze kinderen, de mijne en de jouwe, kameraad, nemen de roep over en sterker aan kracht schalt hij weldra over de eeuwigheid heen …
Misschien zullen wij hem dan horen, waar we ook zijn.
Uit Moeder, waarom leven wij? door Lode Zielens. (Het boek verscheen voor het eerst in 1932, toen de tijden niet zoveel verschilden van nu.)
Weinig auteurs hebben een zo consistent en bloedstollend oeuvre nagelaten als hij van wie men niet eens wist of hij bestond, wie hij was of waar hij verbleef. Was hij voordien Red Marut van het legendarische Der Ziegelbrenner, en nadien of tegelijk Ben Traven, of een van de andere namen die hij zich toedichtte … In ieder geval blijft ieder woord en elke letter die hij als B. Traven publiceerde even actueel als noodzakelijk. Ik citeer uit het begin van Regeering, in 1934 bij de Arbeiderspers verschenen in een vertaling van T de Jong, maar ik stel vast dat het er exact 75 jaar later nog steeds identiek aan toegaat, en dat de vlieger opgaat voor elke politieker (zowel in Tremelo als in Rome of waar dan ook), want:
Al zijn familieleden, tot in het verste lid: neven, achterneven, zwagers, ooms, broers, alsmede hùn neven, achterneven, zwagers en zoons, waren goed bezorgd. Zij bleven in hun functies als belastingsambtenaren, burgemeesters, postmeesters, politiecommissarissen, even lang als hij zich zelf in zijn eigen ambt kon handhaven. Daarom had hij hen allen op zijn hand, bij alles wat hij deed. Hij kon stelen, zoveel hij verkoos. Als hij er maar voor zorgde niet hen, als zij op hun beurt ook eens stalen, met enquêtes, accountants-onderzoek en wetten lastig te vallen. Aan alles wat zij deden, wettig of onwettig, moest hij een zegel hechten.
Dann gibt es nur eins!
Du. Mann an der Maschine und Mann an der Werkstatt. Wenn sie dir morgen befehlen, du sollst keine Wasserrohre und keine Kochtöpfe mehr machen - sondern Stahlhelme und Maschinengewehre, dann gibt es nur eins:
Sag NEIN!
Guido Gezelle in 1897 naar aanleiding van de dood van Camille Lateur, vader van Frank Lateur die de onsterfelijken zal vervoegen als Stijn Streuvels.
De wereld spot met de eenvoudigheid van de gerechtigen. Volgens de wereld moet men kunnen duiken en valsch zijn; alzoo spreken en anderszins meenen; dat de waarheid is leugentale, en dat leugentale is waarheid heeten. Zulke lessen leeren de kinders en voor zulke wetenschap betalen ze groot geld. Die daarin opgeleerd zijn verachten hunnen evennaasten, met hoogmoedigheid; die daarin ongeleerd zijn bewonderen, vreezen en ontzien de geleerden. De boosheid heet immers wellevendheid hedendaags; de valschheid en ’t bedrog worden beschaafdheid genaamd. Van hunnen kant en toogen de gerechtigen niet hetgene zij niet en zijn; ze meenen ’t al dat ze zeggen; dat waar is beminnen zij; dat valsch is vermijden en vluchten zij; dat goed is doen zij, zonder inzicht van belooninge; dat kwaad is lijden zij, liever zelve, als dat zij er andere, zouden meê belasten en leed doen; geen wrake en begeeren zij van ‘t geleden onrecht; en, worden zij begekt en beschimpt, ter oorzake van de waarheid, zij aanzien ’t en zij aanveerden ’t als een groot voordeel.
Al sinds 2 juni 2001 protesteert BRIAN HAW letterlijk iedere dag aan de grote Poort van Macht en Manipulatie tegen elke oorlog en alle vormen van geweld, al zolang wordt hij door de Britse overheid slecht bejegend, al sinds die dag stort zijn eigen wereld beetje bij beetje verder in. Wat me met een mislukte hink-stap-sprong bij de heel solidaire brievenschijter uit Le Coq sur Mer brengt die week na week en iedere dag opnieuw ergens anders de media en Tinternet vervuilt met zijn spinsels en kronkels die hij voor meningen en raadgevingen houdt. Zo schrijft hij mij op 4 november van vorig jaar: “Het pacifisme is zinledig als het zich absoluut verzet tegen elke vorm van geweld, maar het is zeer zinvol als het blijft beklemtonen dat het geweld een uitzondering behoort te zijn.” Daaruit besluit ik, maar waarschijnlijk ten onrechte dat in zijn ogen een klein beetje martelen moet kunnen, een niet te groot aantal oorlogsslachtoffers geen kwaad kan, het leven van de ene armeluis aan het welzijn van de andere rijkaard mag worden geofferd, of zoals bij de moorddadige overval op een Brussels rusthuis de burgemeester der zeer plaatselijke negorij geruststellend meedeelde dat de oudjes niets gezien hadden. Staf de Wilde, want men hoeft niet in een god te geloven of er zelf een te zijn om een naam te dragen, wil dat we het milieu goed bejegenen, maar zelf vliegtuigert hij wel op vakantie, terwijl mensen als ik in zijn schaduw onze waardeloze muntjes zitten te tellen; arbeid si en solidariteit la klinkt het uit zijn veel te grote pen, maar zijn huis moest wel gekuist worden door een vreemde schoonmaakster opdat hij zich edelgewijs met lezen en schrijven zou kunnen bezighouden, baron Buysse ten voete uit; van hedendaagse Afrikaanse kunst kent hij blijkens zijn uitspraken niets, maar hij vindt wel dat er niet vernieuwd wordt en scheert daarom dan maar alle creatievers van ginder over zijn eigen artistieke kam; spreekt hij over weinig geletterde anarchistische voortrekkers, dan vraagt hij zich af hoe een analfabeet de nodige anarchistische regels kan opstellen. Dat noemt zichzelf soixante-huitard, ge moet maar durven.
In niets onderschijt hij zich van de gefileerde walrus uit Holland die al tien jaar of daaromtrent Antwerpen bepotelt en betast als ware het zijn persoonlijke eigendom, en die met zijn Gemengde Berichten koe en kalf voor achterlijk houdt, maar zelf van generlei ontwikkeling getuigt: opgesloten dieren in een voorhistorische zoo gaan begluren en niet aarzelen om het vlees van hun mishandelde collega’s op te peuzelen, tja, moet kunnen in tijden van multicul; niet weten dat een ‘kot’ Waals en Brussels is voor studentenkamer en ‘kots’ door hen als het meervoud daarvan wordt beschouwd, maar zich wel zeer taalkundig en uitermate literair voordoen; in Borgerhout naar een steen staan kijken en als de plaats van herkomst erop staat nog niet weten waarvandaan die komt, maar zich wel kleden als een Engelse archeoloog uit 1872; enzovoorts. Ik bedoel: wordt er niet te veel geëist van Turken, Marokkanen en Tom Boonen?
Het maakt niet uit of een moordenaar, een mensenhandelaar of een koning, desnoods een combinatie van deze drie of geen van alle drie, zich een plezierbootje aanschaft van honderd miljoen oude en dan nog eentje van tweehonderd miljoen, en ondertussen dit bekokstooft en ook dat nog uitspookt en links het een flikt en rechts het ander lapt, het is de taak van allen die zelf geen nagel hebben een zinkend schip te maken van al wat bovendrijft , - niet kunnen zwemmen mag geen excuus zijn.
Maar het weze gezegd …
Kurt Tucholsky (um 1935):
Auf meinen Notizblock steht etwas, was ich nicht lesen kann. Und das wollte ich Dir allerdings schon lange mitteilen.
Eén na één houden markante figuren met wie ik al eens een keer en meestal heel wat keren te maken had het hier op aarde voor bekeken: Wannes van de Velde, Simon Vinkenoog, Marcel van Maele, en nu staat Saskia Poldervaart klaar om veel te jong door de poort die er wel niet zal zijn te treden. Om enig idee te krijgen wie ze is kan u dit hier lezen, maar haar ongebreideld enthousiasme en aanstekelige strijdbaarheid blijkt toch vooral uit het interview met haar dat in de Volkskrant van voorbije zaterdag verscheen. Toen kapitein dezes hoog en veraf in de bergen zat was zij een der weinigen die tijd en moeite nam om contact op te nemen, mede daarom wil ik er terug heen, ook al weet ik dat het mij niet meer zal lukken.
You always need a left. And within the left, you need a left. And within the left of the left, you need a left. And in that left, you need a left. And that left is me!
Sam Dolgoff, Sam Dolgoff for ever!
Dat ’n gelovige een braaf mens kan zyn, stem ik toe, al begryp ik niet dat en hoe hy al die inkonsekwentiën slikt, die z’n overtuiging hem oplegt. Maar de slechte daden die we dagelyks van de meeste vromen te zien krygen, staan geenszins tegen-over hun geloof. Ze gaan daarmee hand-aan-hand, en vloeien er uit voort. Een vrome die niet slecht is, zou eigenlyk dubbele lof verdienen, omdat-i goed bleef ondanks z’n onzedelyk stelsel. En de goddiener die ’n booswicht is, handelt niet tégen z’n goddienst, maar toont juist daarin méér konsekwentie dan iemand die gelooft, en tóch geen schelm is.
Uit: Multatuli, Ideeën, Vijfde Bundel, nummer 1052.
(Dit is de enige zinvolle reactie die ik kan bedenken op het in het weekblad Humo nr 3593 afgedrukte gesprek met Pieter de Crem, minister van Belgische geweldplegerij.)
Ooit in Amsterdam? Loop dan Het Fort van Sjakoo in de Jodenbreestraat eens binnen, juist voorbij de woning van Rembrandt, maar die zou naar ik vernomen uit doorgaans slecht ingelichte bron onlangs overleden zijn, bezijden het Waterlooplein, waar nog altijd tweedehands ge- en verkocht wordt. Zij hebben het boek van Els van Daele over Schuurman en Moker.
Werken is misdaad door Herman J. Schuurman verscheen in 1924 bij De Orkaan te Utrecht, en is nog steeds actueel.
Er zijn van langs om meer dingen die mij onverschillig laten; de openbare handeling van zogezegde verstandige en hoogontwikkelde mensen, die aan ’t hoofd staan en ’t Land bestieren, komen mij kinderachtig voor: ijdelheid en ambitie. Van dagbladen hoef ik bijna niets meer te lezen, beschouwingen in het luchtledige. Dingen en toestanden waar men toch niets kan aan veranderen of verbeteren … met ze te lezen.
(Uit: Stijn Streuvels, Ingooigem II, 1957, p. 37; een uitspraak uit 1928.)
Nog niet zo heel lang geleden werd zelfs in Vlaanderen aan kunst gedaan, de houtsnijkunst stond er zelfs hoog in aanzien. Jan-Frans en Jozef Cantré, Joris Minne, Frans Masereel en Henri Van Straten, gemeenzaam bekend als ‘De Vijf’, leverden puik werk af dat daarenboven de tijden heeft getrotseerd. Van hen was Frans Masereel misschien de bekendste, en Henri Van Straten waarschijnlijk de meest onderschatte. Dames en heren, uw aandacht et cetera.
(Uit de collectie van Het Zinkend Schip: De Pessimist van Henri Van Straten.)
REVOLUTIE
Gekwelde kracht barst woedend los.
Volk.
Gebogen ruggen strekken zich.
Ontelbare vrije vuisten ballen zich.
Volk.
Saamgemuit als onweerswolken.
Volk.
Bedreigen zij den rotten staat.
En rukken op en staan paraat.
Volk.
De troon is leeg. Het altaar leeg.
Volk.
Laten knechten ons regeeren.
En hoeren gods-moeders zijn.
Volk.
Bloed druipt van onze mag’re handen.
Volk.
Op koningslijken staan wij trotsch.
Rood dekt onze vaan de gansche aarde.
Volk.
REVOLUTIE is een der gedichten uit de bundel DE SCHANDE van OSKAR KANEHL, in een vertaling van Jac. Knap in 1925 door De Fakkel uitgegeven. Dit zeldzame boek maakt deel uit van de collectie van HET ZINKEND SCHIP welke thans geïnventariseerd wordt. De verzameling bevat vele originele werken uit en over de periode 1880 - 1920 en schenkt ook veel aandacht aan de opstandige jaren '60 en '70. Naslagwerken, historische studies, talrijke monografieën en (auto)biografieën, belangrijke filosofische werken en werken over kunst en cultuur in het algemeen, en een ruime verzameling hoogtepunten uit de wereldliteratuur maken van deze collectie stilaan een waardevolle verzameling. In de voorbije maanden mochten we ons in een aantal belangrijke schenkingen verheugen, hopelijk wordt ons dit in de toekomst nog vaker gegund. Bedoeling is de collectie op een dag toegankelijk te maken. Iedere vorm van belangstelling wordt met plezier tegemoet gezien.
De Papieren Man is een uitstekend toeleverancier van gerecycleerd en overbodig literair nieuws, en omdat hij een gewiekst plunderaar van andermans berichtgeving is die kruipend op zijn ellebogen de weg heeft gevonden waar ik niet eens wil komen, gooit het Vlaams Fonds voor Letteren hem gul de stuivers toe die het onterecht uit de zak van anderen laat trommelen. Wat ben ik blij dat Het Zinkend Schip gegarandeerd subsidievrij is, en dat eenieder de tekstjes die ik hier en elders zelf schrijf als de zijne mag publiceren zoals in het verleden twee Antwerpenaren al eens deden. Ach, de papierventer heeft me al vaak geërgerd, zoals toen volgens hem Marcel Reich-Ranicki compleet door het lint ging omdat hij nogal nadrukkelijk een standpunt verdedigde, en gisteren nog las ik dat hij de volgens mij de enige ware boekhandel ter wereld niet meer dan een ‘tourist trap’ vindt, waar boeken veel te duur betaald worden en de stank zijn eigen lijfgeur wellicht overtreft. Ik laat Jeremy Mercer die een tijdlang in de boekhandel woonde zeggen wat mij zo fascineert: “George Whitman has been running what he calls "a socialist utopia masquerading as a bookstore" for 50 years. His store has long been a literary hub, attracting the likes of Henry Miller, Richard Wright and William S.Burroughs. More importantly, George has been inviting people to live in his shop from its very first days. There are now 13 beds [sic] among the books, and he says that more than 40,000 people have slept there at one time or another. All he asks is that you make your bed in the morning, help out in the shop, and read a book a day.”
Al wil ik niets opdringen, de film over The old Bookstore Shakespeare and C° is het bekijken meer dan waard, en bestaat voor u tijd uit geld bij gebrek aan wat anders, mis dan toch vooral de magistrale scène kort na de 48ste minuut niet, want alleen al dat fragment maakt van de hele actuele gesubsidieerde Nederlandstalige literaire schrijfkolder niets anders dan een onwaarschijnlijk groteske reutemeteut.
(Volledigheidshalve voeg ik hier nog aan toe dat de originele Shakespeare and C° werd opgericht door Sylvia Beach, misschien niet de eerste, maar dan toch de beste.)
Het moge duidelijk zijn dat in mijn ogen de papieren flater symbool en garant staat voor de onbenulligheid van de complete actuele Vlaamse cultuur.
Gisteren, kwart na twee werd ik in mijn bestaan bedreigd, en niet zomaar. Driemaal werd hard aan de deur gebeld. Onze rinkel kent het onderscheid tussen het bellen van een deurwaarder of de halfslachtige poging van de buurjongen die weer eens met een tombola de baan is opgestuurd, en ook de klamme handen van de stadsdichter van Bachten de Kupe herkent hij. Maar dit, dit was duidelijk niet de Last Post die werd geblazen, maar de harde en laatste verwittiging van een tot de valse tanden gewapende nitwit aan wie zelf van geen kanten deugt, in het veel te smalle gangske sprongen de tegels van de muur en in het keukentje van 3,65 m² smeet ik me op de grond, hond Maboul begreep er niets van. En naast ons en rechtover ons werd ook aangebeld. Ik dacht: een razzia. Ik heb een neus als Methusalem, ben besneden, meende heren met glimmend schoeisel te ontwaren en dacht dat ze Duits spraken. Het volk op straat baadde in zonlicht, ik hield me gedeisd, zij droegen de veston losjes over de schouders gegooid, de pull om het middel gebonden, stapten ze richting Cannes? Waren dat de lui waar Arnaud Hintjes zo dikke vriend mee is? Er werd wat drukwerk en een handgeschreven briefje in de brievenbus gefrommeld. Mijn vrees was niet onterecht geweest.
Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,
In allen Lüften halt es wie Geschrei.
Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei,
Und an den Küsten – liest man – steigt die Flut.
Der Sturm ist da, die wilde Meere hupfen
An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken.
Die meisten Menschen haben einen Schnupfen.
Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.
Jakob van Hoddis, Weltende (1911)
Het in bendes samengetroepte mensengeboefte houdt van stotteren en stamelen, kan niets anders dan grijpen en graaien, en houdt al wie smaalt om bezit en rijkdom in zijn dodende wurggreep, uiteraard met de zegen van kerk en kapitaal, - hoelang nog? Wie weet, maar het ergste moet wel nog komen, het beste is al lang voorbij. Ik ga er immers van uit dat binnen niet al te afzienbare tijd in ieder land en in elke stulp leven letterlijk adembenemend zal worden. Zelfs kiezels en keien al dan niet van de Wetstraat weten niet wat hun te wachten staat. De mantra van alles: tegen beter weten in.
Mijn troost? Met plezier lees ik vandaag maar weer eens in Honderd jaar later, een toekomstroman uit de tweede helft der negentiende eeuw geschreven door de onvolprezen Edward Bellamy.
Alhoewel alleen het verbluffende visionaire gedeelte van het boek van tel is, huiver ik telkens opnieuw van de inleidende passage over de reusachtige wagen met alle rijken erop, die zonder slag of stoot door weer en wind over berg en dal getrokken wordt door armoedzaaiers als ik, - gisteren nog ...
“Het was de vreemde inbeelding, vrij algemeen onder hen die boven op de wagen zaten, dat zij niet geheel gelijk waren aan hunne broeders of zusters die trokken, maar van een ander maaksel, enigszins behoorend tot een hoogere orde van wezens, die met recht konden eischen voortgetrokken te worden.(…) Het vreemdste van dit idee was, dat zij die juist naar boven waren geklommen, dadelijk, alvorens nog de teekenen van het touw hunne handen verlaten hadden, onder zijn invloed kwamen. En zij wier vaders en grootvaders zoo gelukkig waren geweest hunne plaatsen te behouden, zij hadden eene onomstootelijke overtuiging dat er een hoofdzakelijk onderscheid bestond tusschen hunne soort van menschen en den groote hoop. ”
Nous allons individuels sans la foi qui sauve. Nos dégoûts de la société n'engendrent pas en nous d'immuables convictions. Nous nous battons pour la joie des batailles et sans rêve d'avenir meilleur. Que nous importent les lendemains qui seront dans des siècles ! Que nous importent les petits neveux ! C'est en dehors de toutes les lois, de toutes les règles, de toutes les théories - même anarchistes - c'est dés l'instant, dès tout de suite que nous voulons nous laisser aller à nos pitiés, à nos emportements, à nos douceurs, à nos rages, à nos instincts ; avec l'orgueil d'être nous-mêmes.
De ietwat bleekschetige, doch belezen medemens weet wel aan welk boek van wie ik hier refereer, en via deze link nu ook waarom.
Helaas, driewerf helaas. De zomer staat weer voor de deur en voor wie het ongeluk heeft aan zee te wonen of omwille van erfelijke afwijkingen bij goed weer en navenant ontij derwaarts reist, kondigen zich weer de mij onbekende geneugten van schreiende kinderen met zand in de ogen en verloren gelopen volwassenen met het water tot aan de keel aan, maar echte strandgenoegens bestaan ook, en kijk maar eens hier hoe beweeglijk door velen doodgewaande materie kan zijn.
The Painter as Outlaw
Kuhn, who died young, was an enigmatic figure, and his art is inextricable from his life. His eccentric painting style, at once finely tuned and anarchic, displays a sensitivity to pop culture and a bold will to scandalize, and is as astonishingly fresh and relevant today as when it was created.
Friedrich Kuhn is the leading figure of the Zurich school of the 1960s which served as a counter-balance to the era's dominant style, abstract/concrete art. Although he never left Zurich for the modish art centres of the day — or perhaps for precisely this reason ˆ Kuhn was well-read and worldly enough to exude a force that reshaped painting from within, creating grotesquely ornamental compositions interpenetrated with collage work, as well as sculptural objects and other hybrid forms.
Ambiguous and genuinely committed to shocking bourgeois sensibilities, Kuhn also addressed the role of the artist in society. His work, at once finely tuned and anarchic, mingles figuration with abstraction and is laced with idiosyncratic references to modern mass culture and allusions to the then-burgeoning pop style.
A bogeyman to some, for others Kuhn was the very picture of the intellectual free spirit with a heart of gold, throwing off the chains of social convention to indulge his joie de vivre with a wry smile. Paul Nizon, the Swiss writer in Paris who referred to the late Kuhn as an "outlaw," saw in his art a kind of secular blasphemy, an infringement of the stylistic unities that was at the same time the object of a "remarkable cult of beauty". Kuhn's work demonstrates his devotion to a painting beyond schools and styles, whose candour, for all that it can present itself as childlike, is in fact not naive. Kuhn is entirely a creature of his age, in which outsider art — Art Brut, Adolf Wölfli, Louis Soutter — was being discovered, and Ensor, Dubuffet and Cobra were the order of the day. Yet at the same time — and this is Kuhn's strength, and what makes him still so topical today — we are in no doubt that his psyche and spirit are firmly rooted in modern reality.
Kuhn's art from the mid-1960s is evidence of his fine eye for standardized dream motifs, such as the palms that recur in his paintings and sculptures, or the images of female beauty and exotic fruit he included collage-style in his painting work. Such details broaden the referential scope of his art to span the distance from the Romantic tradition all the way to mass tourism. In his multifaceted work, Kuhn takes aim at various manifestations of categorical ambivalence, as for instance in the artfully curled little bonnet of whipped cream he clips out of an advert to imitate and parody its "painterly" context while at the same time sending up the world of sentiment, as a mummified bride and groom blend into the stiff, portentous white that surrounds them. Kuhn's is a complex painting process, -sampling' as it does elements of both high and pop culture.
It sometimes seems as if Kuhn drew with his brush and painted with his pencil — watercolours and oils, on paper, cardboard, canvas and wood; and he was still using his mixed technique to apply collage to the sculptures he produced towards the end of the 1960s. These pieces continue the furniture motif and the emboxed character of his paintings of the late 1950s, which mock Cubism while seeming at the same time to disintegrate the symbols of solid middle-class virtue. This was the dawning of Switzerland's age of housing developments, the much-decried suburban sprawl Kuhn depicts in his large-format Rêve helvétique I+II (Swiss dream I+II), two pictures he painted for the 1964 Expo in Lausanne.
Born in 1926 in Gretzenbach in the canton of Solothurn, Kuhn moved with his family to Zurich while still young. His first steps in the art world are only sketchily documented, and the apprenticeship as a graphic artist noted in one account of his life may be just as much a legend as the "voyage to the Eskimos" he is also said to have taken. From 1952 to 1954 he lived in Bern and Ticino before settling down again in Zurich, where he cultivated his position as an outsider before dying of alcoholism in 1972 at the age of 46. Throughout his life he was able to depend on a small horde of admirers, accomplices and collectors, despite the heavy demands he made on them (as well as on himself). From our perspective Kuhn's work is best seen in the special context of bohemian Zurich and Lucerne in those days, in which an artist could retreat within himself even as he remained in touch with the cosmopolitan ideas and the buzz of the day. For all that it was routinely lamented as confining, Switzerland in the period following the war was a stimulating place for artists, a country in which key intermediaries, museums and art galleries had been able to keep the modernist tradition alive uninterrupted during the conflict.
STALIN EPIGRAM
We live, but we do not feel the land beneath us,
Ten steps away and our words cannot be heard,
And when there are just enough people for half a dialogue,
Then they remember the Kremlin Highlander.
His fat fingers are slimy like slugs,
And his words are absolute, like grocers' weights.
His cockroach whiskers are laughing,
And his boot tops shine.
And around him the rabble of narrow-necked chiefs –
He plays with the services of half-men.
Who warble, or miaow, or moan.
He alone pushes and prods.
Decree after decree he hammers them out like horseshoes,
In the groin, in the forehead, in the brows, or in the eye.
When he has an execution it's a special treat,
And the Ossetian chest swells.
Ossip Mandelstam werd naar aanleiding van het schrijven van dit gedicht en het voordragen ervan in beperkte kring aangehouden en gevangen gehouden, - totterdood. Zelfmoord?
Ich war arm und verachtete den Reichtum von Jugend auf. Mich verwirrte etwas anderes. Ich bin mit dem Freiheitsbegriff aufgewachsen, der uns vom 19.Jahrhundert überliefert ist. Seit meiner Schulzeit liebte ich die Respektlosigkeit und hörte auf die Stimme der Ungehorsammen.
Aus: Ilja Ehrenburg, Memoiren I Menschen Jahre Leben
De voorbije maanden heeft de schim van de schipper hier en elders, soms midden in de nacht en meestal tegen beter weten in, een stoet van vergeten gewaande ketelbinken aan boord gehesen en niet mis te verstane schipperswijven liet hij niets kwijtschelden, maar schelden deden ze, - dit alles tot groot jolijt van zo nu en dan een verdwaalde schelpenverzamelaar. Ook citeerde de ongeschoren zeeschuimer van een aantal Vlaamse schriftstellers uitspraken van tijden her die nu nog steeds doen opschrikken, - dit tot groot ongenoegen van zelfverklaard links dat nu meer dan ooit de voorrang van rechts respecteert.
In conclaaf met zichzelf, uiteraard te Oostende, vraagt hij zich echter af: waartoe al die moeite, iedereen weet alles zoveel beter dan om het even wie, en zes dagen dezelfde aan om het even welke voet is en blijft de stinklimiet voor kousen van minder dan een euro.
Ach man, tracht ik, maar hij wil ontroostbaar zijn, en niet te vermurwen. Hoor hem: zolang er nog één is die aan mijn kant staat, zolang de lepel in de rijstpap staat, zolang …, maar hij was al te ver heen om hem nog te verstaan, laat staan te begrijpen.
Vandaag steekt hij een tandje bij, en wie hem al eens in bevende lijve zag, weet genoeg, alle anderen kunnen de pot op.
Alaaf!
1. Het weekgedierte
Werenfried Mertens, vader van menig ongekoesterd kind en beoefenaar van heel wat lucratieve stiel, man van Wiet zonder Snit, piccolo aan het Hof ter Vorst, baron teweeg, is en blijft in mijn ogen de valse profeet die tegen beter weten in - jaren tachtig - beweerde dat het einde der tunnel in zicht was, maar drie weken later onderging hij wel een oogoperatie. En nog steeds speelt zijn beiaard: eigen beurs eerst, nu à rato van 2.500 ducaten per maand die ik en menig ander alhoewel stervensklaar nooit zullen krijgen, en ook de veelvoudige rest van zijn riantschap bestaat uit niets anders dan grijpstuivers. Broek af en mijter op, en zo het gebergte in, weer of geen beer!
2. Rechtsomkeer
Waar ze van een houten paard een gouden kalf wisten te maken, en zelfs peuters en kleuters niet veilig zijn, tiert stilletjes pedofilie, maar woekert hevig corruptie. Daar dus werd een der hoofden van het plaatselijke Saint Blasé voorbije week wel schuldig bevonden, maar niet gestraft, want … daar zou hij nadeel van kunnen ondervinden. Schuldig waaraan? Aan het achtervolgen in een openbaar zwembad van een gehandicapte jongen, hem hardvochtig te grijpen ter wille van een genotvol minuutje orale sex, en dan home sweet home met het schuim nog op de vieze bek, jongen in puin de rest van zijn leven, rechter dus geen haar beter, of misschien zelfs kaal. Ik zeg: de ballen af van alle twee, en jongen loon zonder werken de rest van zijn leven op te hoesten door dezelfde twee!
3. Daniël Robberechts
Nooit van gehoord? Dan kan deze documentaire van ruim een uur u vast en zeker desoriënteren. En ook hier valt nauwelijks een en ander te lezen. (Ik was een van de schaarse lezers van zijn tijdschrift Schrift waarvan hij me soms om de paar dagen met bijhorende instructies die bevelen waren een nieuwe, uiteraard losbladige aflevering bezorgde; zijn adres: Trimpont 14 te Everbeek, - ik vergeet het nooit.)
4. Martelboom
Scharrel van menig kieken, constant en preventief in de rouw, niet gekozen door het volk, maar wel verheven tot sinister van vreemde zaken door bange hazen, eigent haar de rechten toe die ze anderen ontzegt, haar praktijken zijn illegaal, ja, een mens nooit, zie maar.
5. Vanwege de marconist
Wie nog een exemplaar wil van Roman van Eric Rosseel kent misschien wel de weg, maar de auteur niet. Ook van O Sela van Eddy de Buf blijven nog meer exemplaren te koop dan er al gemaakt zijn. Joke Kaviaar vermoed ik achter haar geliefde tralies, en daarvan maak ik misbruik om haar werk nogmaals aan te prijzen. En de ware scheepslantaarn in duistere tijden is natuurlijk Fernand J A, maar waar brandt zijn lamp?
.
Ongeveer 10 jaar geleden was ik een der eersten om in een amper gelezen alternatief literair-cultureel blaadje, zo’n dingen bestonden nog voor de millenniumwissel bijna alles en iedereen aan zeep hielp, een artikel dat door gebrek aan informatie zeker niet informatief was over Longo Mai. Ondertussen is veel water door de zee gevloeid, maar ik vraag me af waarheen, - zelf bevind me thans op de richelroede tussen water en land en ik merk er niets van, tenzij. Laat het je desnoods op de mouw spelden in een gefilmd gesprek met Beatrix Graf, auteur van Maatschappijkritiek en zelfbeheer in de Europese coöperaties.
.
Denn in der Poesie sind
Worte und Begriffe das
Instrument, das uns zur
Musik führt, -zum
Rhythmus, zum
Unsagbaren, das in uns
einschwingt und uns
mitschwingen läßt.
.
.
GALGELIED
Er stonden drie galgen op ’t galgeveld,
De kraaien hebben het voortverteld.
En stom blauwden winterse bossen rondom.
Zij kaatsten ‘t gekrijs van de kraaien weerom.
Het volk stond zwijgzaam opeengehoopt:
Drie mannen moesten opgeknoopt.
Drie rechters lazen het vonnis voor:
De bosschen bauwden het na in koor.
Eén had in eigen macht geloofd,
Hij moest het bekopen met zijn hoofd.
Een had gehoopt op een nieuwe tijd,
Dat was voor het heden een scherp verwijt.
Eén had de waarheid te zeer bemind,
Daarvoor ging hij bengelen hoog in de wind.
De kraaien krijsten: kwaad is kwaad!
De bossen echoden: haat is haat!
De kring van het volk werd enger en enger,
’t Gelaat van de rechters werd strenger en strenger, …
Maar toen de koord de hoogte in ging,
In elke lus een rechter hing.
Het volk stond zwijgzaam opeengehoopt,
Drie rechters werden opgeknoopt.
Eén had zijn eigen volk verraden,
Eén had zijn geldkist volgeladen.
Eén had de macht om haarzelf bemind,
Drie rechters bengelden hoog in de wind.
De kraaien krijsten: kwaad is kwaad.
De bossen echoden: inderdaad!
.
Te Herent, nabij Leuven, al 35 jaar. Kan wat van geen tel is belangrijk zijn? Wanneer meer minder lijkt doet dan niet iedereen winst? De Bereklauw !
dat duurt maar voort
de mensen zijn zo aardig en zo leuk bedacht
niet ieders
eigenaardigheden
toch droom je elke nacht van moorden
en al die prettige en zachte dingen
die je ondervindt
zijn eensgezind
toch droom je elke nacht van moorden
je was er overheen het was voorbij
die helse tijd
van angst en pijn
toch droom je enzovoort en enzovoort
nog in de ouderdom
en blijde eenzaamheid
na ’t lezen van een krant
het zien van een bericht een dokument
droom je nog elke nacht
van pijniging en moord
niet op jouzelf (hoewel je vlucht)
maar op de dieren, kinderen, bomen
die weerloos zijn en zo
vernietigd worden
daar droom je van na een tv-bericht
of krant of overzicht
van al die moorden
Uit: Het huis waar ik in woon (1990)
Sonja Prins was communiste, alleenstaande moeder in illo tempore, verzetstrijdster, activiste, uitgeefster, dichteres, schrijfster, - vergeet ik nog wat? Vanaf 1972 tot zeer kort voor haar dood woonde ze in haar ‘boshut’ (zie foto) in de bossen rond Breda. Uitgeverij De Papieren Tijger zal haar verzameld werk bezorgen.
10H34
Je téléphone à la Préfecture.
"Allo" dis-je
"Que désirez vous?" demande la voix féminine
"Je voudrais savoir à quelle heure vous comptez interdire la circulation automobile
"Ne quittez pas"
"Allo? dit la voix masculine
"Bonjour, dis-je
"Que désirez vous?
"J'aimerais savoir si vous comptez interdire prochainement la circulation automobile?
Une sonnerie brève
"Je vous écoute, dit la seconde voix féminine
"Bonjour madame, dis-je, j'aimerais savoir si vous avez l'intention d'interdire les voitures dans Paris
"Qui êtes vous monsieur?
"Je m'appelle Pierre Merejkowsky
"Vous intervenez à quel titre?
"J'ai mal à la gorge, j'ai les yeux qui piquent et comme je me déplace exclusivement en vélo j'aimerais avoir des précisions sur une éventuelle mesure d'interdiction de la circulation automobile, s'il vous plaît madame, excusez moi de vous déranger, madame
"Vous êtes journaliste?
"Non
"Nous ne répondons pas aux questions des particuliers, nous ne répondons qu'aux questions des journalistes, au revoir monsieur".
Lisez ici d’autres textes de Pierre Merejkowsky, mieux encore: voici un de ces films, et si vous n’êtes pas encore convaincu quelques précisions par lui-même. Un homme remarquable, un grand artiste, l’engagement pur et simple sous forme de filmes et textes.
Is er een grooter bewijs te vinden voor de absolute incompetentie van iemand om een menschenziel te begrijpen en te voelen, dan de instelling en vooral het laten voortbestaan van een gevangeniscel? Begrijpt en weet men dan niet, welke invloed er op een mensch ten goede kan uitgaan van zonneschijn, van licht, van het leven met een huisdier, van het voor zich zien van bloemen? Begrijpt men dan niet, dat een grauwe wreedheid van een Nederlandsche gevangeniscel, per se iemand, die nog een greintje gevoel heeft op den lange duur moet verharden; zijn verstand doen versuffen, iemand van weinig gevoel niet beter maar eer slechter moet maken, omdat hij het mooie mist, dat om ons bestaat en dat zoo’n grooten invloed ten goede, al is die dikwijls onnaspeurbaar, op ons gemoed en op onze ziel heeft. Voelt men dan niet het botte, het harde, het bedervende van een omgeving, waarin niets ooit voor de pijnende oogen kleurt dan alleen een vaal grijs, een grauw, zoo smeerig en dof als het sentiment, het meegevoel, het gevoelig-zijn voor schoonheid, de heerlijkheid van boomen, van bloemen en van blauwe luchten van hen, die maar altijd blijven vasthouden aan het celsysteem en geen pogingen ooit doen om deze onmenschelijkheid, deze onnutte plagerij, dit gevolg van gebrek aan inzicht in het zieleleven van den mensch, uit de wereld te krijgen.
Arnold Aletrino, Is celstraf nog langer geoorloofd en gewenscht? Amsterdam, 1906, pp. 77-78.